Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

61 de KERKER.

fpyze , door zyne fmerten byna oneetbaar. Zonder bezef van vreugde, ligt hy jn boeien zyne jammerklagten worden door geen medelydenden galm nageroepen. Zyne weeklagten fluiten op het donker gewelf zo onvruchtbaar af, als op de verharde zielen der gerechtbedienden , en verkeeren in wind. Voor hem is 'er geen vriend , dien hy de fmert zyner ziele kan klaagen - geene borst, waarop zyn nederhangend en fewynend hoofd zou mogen rusten geene vriendfchappelyke bezorgdheid , om eenige vertroofting in zynen hoopeloozen boezem uit te ftorten. Weggerukt uit de maatfchappy der menfchen , van het genot der weldaadige zon beroofd , en overgelaaten aan zich zclven , ondervindt hy de kracht der ellende in knellende boeien. Yferen ketenen drukken zyne uitgeteerde leden, de verw des doods is op zyne wangen , door geene lieffelyke morgenkoelte vcrlecvendigd. De lucht, welke deze ongelukkige moet inademen , is befmet door de vergifte uitwaazeming des muffen kerkers. Stro of zoo rtgelyk rustbed is zyn leger. Zonder beweeging is het hem fchier niet mogelyk, te zitten ofte liggen, en deze geftoorde ruste wordt hem door den last van ongedierte nog betwist. Welk

Sluiten