Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ECHTSCHEIDING. 139

Rofalie wierp zich op het bleek gelaat van haaren geftorven echtvriend - ó myn ongelukkige beminde, riep ze, was het dan zo eene groote misdaad, dat wy eikanderen hartelyk lief hadden, om menfchen aan te zetten, dat zy zich met natuur moesten verbinden, om

ons te fcheiden? ... Natuur! Natuur!

hoe deerlyk hebt gy met ons, die uwe bewerking voor onfchutdig' hielden, gehandeld J Zou het mogelyk zyn kunnen, dat gelyk gewaarwordingen , in zielen, zich in tederheid lykende , verbeeldingen, en de ftemme van die drift verraadelyke inblazingen geweest waren ? Zou den hemel doof zyn voor den eed die deugdzaame deugdgezinde harten elkanderen zweeren? — Zo hy die hoort, hoe is het dan mogelyk, dat een band,waar door zielen aan een worden gebonden , door menfchen kan worden los gerukt! Welke rechten zyn heiliger dan die der menschheid.

Terwyl Rofalie zich in dezen toeftand bevondt en zo bitterlyk weende, tradt de vrouwe van die landltreck , waarin Carel zyn verblyf hadt, in de hutte. Zy hoorde deze ongelukkige vrouw het geheel beloop van haar

nood'?

Sluiten