Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ao2 ERAST.

geen goeden luim... Zeer zeker, zegt hy tegen Erast , op eene min of meer gemelyke wyze, zal er, ten voordeden van dien boosdoener , niet veel zyn gevonden.... Erast verfchrikt, en vergeet, wat hy., ten behoeven des ongelukkigen, hadde tefaamengefteld. Het oog van den minister — de vreeze, om dezen aanzienelyken te mishaagen , fluiten hem de lippen. Zyn antwoord beftaat in hetophaalen zyner fchouderen. Ik verfta u , zeide de minister — en men ondertekende het doodvonnis.

Erast gaat het huis van den minister uit. — Hy veegt zich het zweet der benauwdheid van het voorhoofd. Wat , vraagde hy , zou ik

wel hebben behooren te zeggen? Dat,

Erast , dat uw amt en uw geweeten u vobrfchreeven, te zeggen... Gy hadt behooren te antwoorden. Men heeft dezen mensch wel van diefftal befchuldigd , en die misdaad beweezen — naar de ftrengfte rechtvaerdigheid is hy den dood fchuldig, evenwel zyn er veele omftandigheden ter zyner verfchooning.

Groote, drukkende armoede belaaden

met vrouw en kinderen, en gedreigd,om door het recht vervolgd, en van alles wat hy hadt,

Sluiten