Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

xxxiv VOORREDE.

Al dring ik nu nog zo fterk en al drong ik nog veel fterker op de uitoeffening der deugd aan, ik ben echter niet ongelukkig genoeg, om dezelve te houden voor het geen ze niet is — om van haar te verwachten, dat ze niet kan verleenen. Verre ben ik 'er af, om te waanen, dat zy de munt is, waar mede wy te voorcn gemaakte fchulden — te vooren bedreeven wandaaden herftellen en waar door wy het recht, om ten hemel te vaaren, zouden kunnen koopen. Myn eigen belang en de kennis, die ik van den ftaat der genade heb maaken my een te getrouw aankleever van de leer der verzoening , om zo deerelyk mistetasten in eene zaak van zo groot belang. Maar de befchouwing en volbrenging der deugd komen my zo noodzaakelyk — zo ten eenemaal kristencaraelerifeerend — zo ryk en fchoon 20 overeenkomftig de leer en den wandel van kristus en den ftaat der gelukzaligen in den hemel te vooren, dat ik my niet kan verbeelden, dat een recht befchouwer en kenner der Goddelyke geboden niet zeer duidelyk in dezelven de ziel en het leeven van een kristelyk geloof en deii waaren ftaat des geluks, (n dit en het volgend leeven, zou vinden.

r^qta,. BJadz. 15 reg. 14 in deze Voorrede ftaat nuttig te zyn,t leez nuttig te doen zyn.

DOR-

Sluiten