Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL. 171

TIENDE TOONEEL

Lodovico, Cassio die men aanbrengt, Montago, met Jago als Gevangon, een O f f 1 c 1 er. De voorigen.

Lodovico. Waar is de dappre en ongelukkige Man ?

Othello. Dat is de geweezene Othello; hier ben ik.

.lodovico. Waar is dan uw oorblaizer ? —— breng den Booswicht hier by.

Othello. Ik zie hem op de Voeten, (oo) maar dat is een

Fabel indien gy een Duivel zyt, zo kan ik

U niet dooden.

(Hy verwendt Jago,) Lod ovico. Ruk hem de deegen uit de hand.

Jago.

Ik bloed fteik; maar ik leef nog.

Othello. Dat is my ook geen leed; ik wilde dat gy nog leven zoud; want, naar myn gevoel is het geluk, zaaligbeid te fterven.

Lodovico. ó Gy, Othello! zulk een waardig Man, nu in de valilrikken eens verwenschten Slaafs gevallen? wat zal men ü zeggen? ^ Othello. Wat men wil; dat ik een Moordenaar met eeren

ben,

(00) Om te zien, of by, volgens 't gemeene vtor. urdeel, klaauiuen beeft.

johhson.

Sluiten