Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORIESPEL. ioy

lofte, lieve, Jonge Prins. — Maar Hal, ik bidii, Plaag my nier langer met zulke ydelheden. wilda Gol, dat gy en ik eene goede gelegenheid wiften, daar men goede naamen te koop kon krygen ! een oude Lord uit den Staatsraad ftond my laatft op da ftraat, wegens u te fpraak, Jongen Heer; maar ik gaf geen acht op hem, fchoon hy veel wyze dingen zei; maar ik zag hem naauwlyks aan, endochfprak hy zeer wyze zaaken; en nog wel op de ftraat. Prins Henrik. Gydeed recht; want de wysheid Iaat haare ftem. me hooren op de Straaten, en niemant acht op haar. (p)

Falstaff,

ó! Gy hebt een verwenichte gaave omfpreuken aan te voeren, en zyt waaragtig in ftaat ora eenen Heiligen te verieiden. gy hebt my veel fchaade gedaan; Hal; God vergeef het U. eer ik u kende Hal, wift ik van niets; enthans ben ik,om de zuivere waarheid te zeggen, niet veel beeter als eenen van da Godloezen. Ik moet dit leven nalaaten; en ik wil het nalaaten; by God i ik ben een fchurk wanneer ik het niet doe. ik wil om geen Konings-Zoon in de gantfche Cbriftenheid wille ter Helle Vaaren, Prins Henri k.

Waar willen wy morgen een Beurs rollen, Jack ? Falstaff.

Waar gy wilt, Borftje , ik doe meê. doe ik het niet, zo noem my een Schurk, en geef my Muilpeeren.

Prins Henrik. Het gaat zeer fchoon met uwe Ievensverbeta« ring, zo ik meik ; van bidden komt gy tot Beur zerollen.

Falstaff. Wel nu, Hal; dat is myn beroep; het is niemant

tor

(P) Uit Spreuke I vs. ao. VIII. vs.r. — Gixr.

N i

Sluiten