Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORIESPEL.

239

Prins Henrik.

Wat zegt gy? haar Hondeid?

Falstaff.

Ik ben een fchurk; indien ik my niet twee uuren lang met een duizend van hen omgehouwen heb. het is een waar wonderwerk dat ik nog daar van ben afgekomen, ik ben agtmaal door myn wambuis heen geftooken ; viermaal door de Bokfen ; myn Schild is door en door gehakt; en myn Zwaard had fchaaren gelyk een zaag, ecce Signum; (by trekt syn deegen). Ik heb my nooit beter gedraagen, zedert ik een Man ben. niets wilde helpen i —— de diommel baal alle bloodaarts? — laat zy fpree. ken; indien zy meerder of minder zeggen als de waarheid zo zyn het Schurken en kinderen der duisternisfe.

Prins Henrik. Spreekt, Myn Heeren. hoe was het toch?

Gadschill, Wy met ons vieren ftonden tegens hunne twaalven.

Falstaff. Zestien, ten minften Milord.

Gadschill. En bonden hen.

Peto.

Neen, neen : zy werden niet gebonden.

Falstaff. Jou Schobbejak ! zekerlyk wierden zy gebonden, de een naar den ander; of ik wil een Jood zyn; een Hebreeuwfche Jood I

Gadschill. Toen wy aan 't deelen waren, overvielen ons

Zes of zeven fterke kaerels

Falstaff. En bonden de anderen los; en toen kwaamen de oveiige.

Prins Henrik. En hebt gy toen met hen alle braaf omgevogten ?

Fal*

Sluiten