Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

404

De DWAiLING,

Adriana. Ik kan 'er niet meer aan twyffelen, daar hy zó wild is. Lieve Doftor Pinch , gy zyt een Bezweerder; geef hem zyn Verftand weder, en vordert daar voor van my, wat gy begeerd.

Luciana. 8 Hemel! hoe vuurig en wild ziet hy in 't rond! Julia.

Zie maar eens, hoe hy beeft van woede!

P inch.

Geef my uw hand, ik moet uw Pols eens voelen. Antipholis (bem een Oorvyg gevende.) tiaar is myn hand; ik moet uw oor eens voelen, Finch,

Ik bezweer U, Zatan , die dezen Man bezit; by alle Heiligen des Hemels bezweer ik U , op myn heilig gebed uittevaaren ; en op het fpoedigfte naar het Ryk der duifterniffe te rug te keeren !

Antipholis.

Zwyg, gy onzinnige Hexenmeefter '• ik ben niet bezeten.

Adr i a na. ó Beliefde God, dat gy het niet was! arme en ontrufte Man '•

Antipholis (tegen Adriana') Nu Schatje, nu; zyn dat uw bedryven ? Was het deze Kaerel, met zyn Saffraan geel gezicht , die heden in myn Huis met uw popte, en zich vrolyk maakte, terwyl de deur op eene fchandelyke wyze voor my geflooten was, en het ingaan in myn eigen huis met geweld gekeerd wierd ?

Adriana. Ó-' Myn lieve Man! God weet dat gy dezen middag t'huis gegeeten hebt. ach .' waart gy daar maar gebleven, en had gy U zo openlyk op ftraat niet in een kwaad geiucht gebragt.

Antipholis tegens Dromio, Heb ik dezen Middag t'huis gegeeten ? geg het, S.hutk. DrO'

Sluiten