Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B L Y S P E L. 421

gen, gaat alle paaien te beven, en het geen men ook daar van zou kunnen verbeelden.

Salinus.

Zeg waar dezelve in beftaat, en gy zult recht ontvangen.

Antipholis. Heeden , Grootmachtigen Hertog , floot zy rfe deur voor my toe , en vermaakte zich intusfchen met liederlyk gefnor in myn Huis.

S a l i n us.

Dit is een zwaar misdryf!— Zeg eens Vrouw,

deed gy zulks ?

Adhiana. Neen, grootmogend Heer. Ik zelf, hy en myne Zufter, hebben eieren middag met elkander gegeeten. Ik wil een Kind des doods zyn , indien dit valsch is t hy tygt my dat alles aan.

Luciana.

Nooit wil ik den dag weder zien, noch in den nacht weder fhapen , indien dit niet de zuivere ivaarheid is , het geen zy ü , grootmogend Heer gezegt heeft.

Angelo.

ó Welke Myneedige Wyven! ——— Zy hebben beide valsch gezwooren; in deze aanklaaging heeft den krankzinnigen Man gelyk.

Antipholis.

Grootmogend Heer, ik weet wat ik zeg, ik ben noch dronken noch van toorn of woede verbysterd; fchoon ik op zulk eene wyzebeleedigt ben, dat dezelve wel een gefchikter Man raazend zou kunnen maaken. Dit Wyf dat hier ftaat, wilde my dezen Middag niet in hais laaten. Was dezen Goudfmit niet met haar in verftandhouding, zo kon hy zulks betuigen; want hy was die tyd by my, en daarna verliet hy my om een Keten te haaien, die hy my beloofde in 't Steekelzwyn te brengen, waar Bafthafar en ik dezen middag aaten; en toen hy niet Dd 3 ea

Sluiten