Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B L Y S E P L. 425

AEGE on.

Waarom ziet gy my zo vreemd aan p gy kent my toch zeer wel?

Antipholis.

Ik heb U, behalven thans, in myn leven nooit gezien.

A e g e 0 n.

ó,De rampen hebben my zeer verandert,fzedert gy my het laatfte gezien hebt; en de Uuren vol zorg hebben, met de ontftelde hand des tyds geheel andere Merkgetuigen in myn gezicht gefcbreeven. Maar zeg my toch Ikunt gy ten minfte myne itemme niet?

Aktipho lis. Even zo weinig.

A e g e 0 n. Gy ook niet, Dromio?

De om 10, Neen, op myn trouw ik ook niet.

A e g e o . Ik weet zeker dat gy my kent.

Drom 10.

Ik.' Myn Heer. — ik weet zeker dat ik U niet en kenne, en men mag het U heeten loogchenen zo veel men wil, zo zyt gy to:h verbanden om hem te gelooven.

A e g a o n.

Myn Stem niet te kennen.' 6 '■ OuderdomI hebt gy myn arme Jonkheid zo gebrooken, dat myn eenigen Zoon hier uwen zorgvuldigen toon niet meer kent ? Offchoon dit myn graauw gezicht in de Sneeuw des zagtvcrkleumenden Winters gehuld is, en alie gangen myns bloeds toegevroozen zyn, zo heeft echter deze nacht myns levens nog eenige* Erinnering; myne uitgebrande Levenslamp nog een Zwakken Scheemering over; en myn doove Ooren nog een weinig gehoor. Alle deze bejaarde Getuigen zeggen my, ik kan niet dwaaien, gy zyt myn Zoon Antipholis. Dd 5 An.

Sluiten