Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18 MARCUS ANTONIUS en CLEOPATRA.

uwe eeden de Goden op hunne troonen doet beeven, daar gy aan Fulvia trouwloos zyt? Welk eene buitenfpoorige dolheid zich te laaten veiftrikken door zulke mond-eeden, die onder het zweeren zich zeiven verbreeken!

Antonius. Myne waardfle Koningin.'

Cleopatra. Ei, ik bid u, zoek toch geene voorwendfels voor uw vertrek, maar neem affcheid.en gaa heen; toen gy verzocht hier te moogen blyven toen was het tyd van fpreeken, maar niet nu gy op uw vertrek; aandringt. —— Eeuwigheid was in onze oogenen op onze lippen , geluk op ons gelaat verfpreid; geen onzer zielsvermogens was zo gering , dat geene fpruit van den hemel fcheen. Dit is nog zo , of gy, de grootfle krygsman van de waereld, zyt de grootfle leugenaar geworden.

Antonius. Wat zegt gy, Mevrouw?

Cleopatra. Ik wenfchte, dat ik uwe geftalte had , en gy zoud bevinden, dat 'er een hart in Egypten is. Antonius. Hoor my, Koningin .' De volftrekte noodzaaklykheid der omftandigbeden vordert myn' dienst voor een' korten tyd; maar geheel myn hart blyft by u , en geheel tot uwen dienst. Ons Italiën fchittert van burgerlyke oorlogszwaarden ; Sextus Pompeju3 nadert den mond van den Tiber. Gelykheid van twee inlandfche magten kweekt geyaarlyke verdeeldheden; de gehaaten, aangegroeid in magt, groeijen ook welhaast aan in 's volks genegenheid; de veroordeelde Pompejus, vermoogend door den roem van zyn' Vader fluipt lang» zaamerhand in het hart van hen , die niet geftaan hebben naar de tegenwoordige regeeringsform, welker getal dagelyks aangroeit; en de algemeene rust

door

Sluiten