Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36 MARCUS ANTONIUS en CLEOPATRA.

heid zal myne grootheid niet verkleinen; of myne magt zonder dezelve werken. Het is waar, dat Fulvia hier een' oorlog berokkend heeft om my uit Egypten te trekken ; waarvoor ik zelf, als de onkundige oorzaak om vergiffenis fmeek , voor zó verre als myne eer het my toelaat in deeze zaak te zwichten.

Lepidus. Dat is edel gefproken.

M e l je n a S.

Laat het u beiden bebaagen, niet verder op de gefchillen , die tusfchen u plaats hebben , aan te dringen • het befte middel om die te vergeeten, is, dat de tegenwoordige nood u dringt om eensgezind te zyn.

Lepidus. Braaf gezegd, Mecasnas.

Ahenobarbus. Of, indien gy flechts voor een' korten fyd eikanderen vriendfchap leent, dan kunt gy, zohaast gy niets meer hoort van Pompejus, dezelve weder terug neemen. Gy zult nog altoo? tyd genoeg hebben om met eikanderen te twiften, wanneer gy niets anders zult weeten te doen.

Ant on jus. Gy zyt niets meer dan een krygsman; fpreek derhalven niet in deeze zaak.

Ahenobarbus. Ik had vergeten, dat de waarheid fteeds zwveen moet. /ö

Antonius. Gy doet deeze byecnkomst te kort, zwye derhalven.

Ahenoba rbus. Gaat voort dan, gy overige meer bedaarde He-i den.

C je s a r.

Het onderwerp van zyne xeden mishaagt my juist

niet

Sluiten