Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38 MARCUS ANTONIUS en CLEOPATRA.

uwe onderlinge genegenheid, en tevens de algemeene genegenheid ten gevolg hebben. Houd ten beste hetgeen ik hier gezegd heb, want het is een voorHel , dat rypelyk overdacht is, en geen vluchtige inval, en dat ik my verplicht achtte aan u beiden mede te deelen, dewyl het behoorlyk gewikt en gewogen is.

Antonius. Zal Casrar fpreeken?

CiESAR.

Niet vóór dat hy gehoord heeft, hoe Antonius denkt over hetgeen reeds gefproken is.

A ntonius.

Welk vermogen heeft Agrippa om zyn woord geftand te doen, indien ik eens zeide. Agrippa, het zy zo? .

C JE SAK.

Het vermogen van Cajfar , en het vermogen van deezen op Oclavia.

Antonius.

Nimmer moet my de geringfte zweem van ver» hindering tegen dien goeden voorflag, welke zich zo fchoon voordoet, in gedachten komen.' Geef uwe hand; bevorder dit middel van verzoening , en laat van dit oogenblik af de broederlyke liefde onze harten beheerfchen, en onze gewigtige voorneemens bellieren /

CiSS AR.

Daar is myne hand; ik beloof u eene zufter, die nooit eenig broeder zo Hef kan hebben als ik. Zy leeve om deelgenoote te zyn van onze heerfchappyen, en van onze harten, en laat van nu af aan onze vriendfchap nooit weder wee vluch*en.'

Lepidus. Daar flaa geluk toe.' Het zy zol

Antonius. Ik dacht myn zwaard niet tegen Pompejus te

trek-

Sluiten