Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5<5 MARCUS ANTONIUS sn CLEOPATRA.

Pompejus. Ik hoop j'a , Lepidus. Wy zyn dan overeengekomen. Ik bid ulieden laat deeze overeenkomst gefchreven en met onze zegels bekrachtigd wor» den.

C ss sak,

Dit is het eerst, dat 'er zal worden gedaan.

Pompejus. Laaten wy nu elkandertn onderling beurtelings vergallen, éér wy fcheiden; en laaten wy loote* wie de eerfte zal zyn.

Antonius. Die zal ik zyn, Pompejus.

Pompejus. Neen, Antonius, wy zullen 'er om looten; maar, betzy gy de eerfte of de laatfte zyt, uwe uitgezoch. te Egyptifche lekkernyën zullen zekerlyk den voor. rang behouden; ik heb gehoord, dat Julius Csefar vet geworden is door daar te banketteeren. Antonius. Gy hebt veel gehoord.

Pompejus. Myne meening is goed, Mynheer.

Antonius. En gy weet goede woorden te vinden om die uit te drukken.

Pompejus. Ik heb dat zo gehoord, en daarenboven heb ik vernomen, dat Apollodorus voerde....

Ahenobakbui. o Spreek daar niet meer af, dat heeft hy ge« daan.

Pompejus. Eilieve, en wat heeft hy dan gedaan?

Ahenobarbus. Hy heeft eene zekere Koniagin op een rustbed naar Casfar doen voeren.

7» li-

Sluiten