Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

%i6 MARCUS ANTONIUS en CLEOPATRA.

ons vandaag niet gunftig is, dan komt het enkel omdat wy haar braveeren. Kom.

Cleopatra. Ik wil ook helpen.

Antonius. Waartoe zou dat dienen ? o Laat dat blyven , laat dat blyven ;gy wapent myn hait; —— (tégen Eros.) Verkeerd, verkeerd j dit eerst, dit eerst. Cleopatra. Zacht, zacht; ik zal u helpen. Zo moet het weezen. (Zy wapent Antonius.)

Antonius. Goed, goed; nu zullen wy gelukkig zyn. (Te-, gen Eros.) ZAet gy wel, myn vriend ? Wapen u nu ook,

Eros.

Terftond, Mynheer.

Cleopatra.

Is het dus niet wel gegespt?

Antonius.

Verwonderlyk ; verwonderlykl Hy, die dit zal (trachten te) ontgespen, éér het ons behaagt het uit te trekken om te rusten, zal een' ftorm onder, vinden. Gy fommelde Hechts, Eros, en myne Koningin is een veel bekwaamer fchildknaap dan gy. Haast u. — o Liefde, zo gy heden myne ftryden kond zien, en deeze Koninglyke bezigheid befchouwen; dan zoud gy een meesterftuk zien. (Een gewapend Krygsman komt op.) Goeden morgen , wees welkom; gy ziet 'er uit als een, die weet wat eene krygsbediening inheeft; wy zyn gewoon vroeg op te ftaan tot eene bezigheid, die ons aangenaam is, en aanvaarden die met vermaak.

Krygsman. Reeds duizenden , Mynheer, hoe vroeg het ook zv , hebben het harnas aangegespt, en wach' * ten

Sluiten