Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130 MARCUS ANTONIUS en CLEOPATRA.'

Eros.

Voorzeker, edele Veldheer.

Antonius.

Somtyds zien wy eene wolk , die draakachtig (van gedaante) is; fomtyds een' nevel, die veel gelykt naar een' beer, een'leeuw, een kafteel met torens, eene overhangende rots, een' tweetoppigen berg, of een blaauwachtig voorgebergte, met boomen beplant, die de waereld toewenken,en (echter) onze oogen door enkele luchtverfchynfelen bedriegen. Gy hebt allen deeze verfchynfeien gezien, zy zyn tekenen van den duisteren avond. Eros.

Ja, Mynheer.

Antonius. < Dat geen, het welk nu een paard is, word door de voortdryvende wolken uitgewischt, en zo ononderfcheidbaar gemaakt als twee gelyke droppelen water.

Eros.

Dat is waar, Mynheer.

Antonius.

Myn goede vriend Eros, uw Veldheer is thans juist zodanig een wezen, tot nog toe ben ik Antonius, maar, vriend, ik kan deeze gedaante niet lang meer behouden. Ik heb deezen oorlog berokkend en gevoerd ter liefde (der Koningin) van Egypten, wier hart ik dacht te bezitten, omdat zy het myne bezat; van het welk, zo lang het nog het myne was, veeie millioenen van anderen afhingen, die nu verioren zyn! Zy, Eros. zy heeft met Casfar de kaarten gemengd ,en valfchelyk myn roem op zyn' triumf weggefmeten. ■ Neen, Eros, fchrei niet}, daar is nog (een middel) overgebleven, om een einde van ons zeiven te maaken. (Tegen Mardian, die op bet Tooneel komt.) o.'Uwe verachtelyke Meestres! Zy heeft my myn zwaard ontftolen.

Mar-

Sluiten