Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

156 MARCUS ANTONIUS en CLEOPATRA.

door Syriën te neemen, en binnen drie dagen zult gy met uwe kinderen vooruit gezonden worden; bedien u van deeze tyding zoals gy zult goedvin • den. Ik heb aan uwen wil en aan myne belofte voldaan.

Cleopatra. Dolabella, ik ben u ten hoogde verplicht.

Dolabella. En ik ben uw dienaar, Mevrouw. Vaarwel. Ik moet myne opwachting by Cajfar gaan maaken.

(Dolabella vertrekt.) Cleopatra. Vaarwel; ik dank u. Wel nu, Iras, wat dunkt u. Gy, een Egyptisch juffertje zult, even als ik, te Romen ten toon gedeld worden; handwerkende flaaven, met morfige fchootsvellen, winkelhaa» ken. en hamers zullen ons opbeuren om gezien te worden. Wy zullen door hunnen dampigen adem , Hinkende naar grove fpyzen omneveld worden, en genoodzaakt zyn dien nevel in te ademen* Iras.

Dat verhoeden de Goden!

Cleopatra.

Neen, Iras, dit is zeer zeker;onbefchaamde gerechtsdienaars zullen ons aangrypen als hoeren;en luidruchtige zangers zullen zich aan fpotliederen heesch fchreeuwen. De vlugge tooneelfpeelers zul« len onze daaden terdond ten tooneele voeren, en daar onze Alexandrynfche gastmaalen vertoonen; Antonius zal als dronken zynde voorgedeld worden , en ik zal den 'een' of anderen fyndemmigen jongen in de gedaante van Cleopatra myne maje. fteit zien voordellen in de gedalte van eene hoer. Iras.

o Groote Goden

Cleopatra. Ja, dit is zeker.

Iras.

Sluiten