Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORIE-SPEL. 22I.

TWEEDE BEDRYF. EERSTE TOONEEL.

Het Tooneel is op Elyboufe.

Jan van Gaunt, (ziek leggende,) de Hertog van York.

Gaunt.

Zal de Koning komen, opdat ik myn' laatften adem mooge uitboezemen in een' welmeenenden raad aan zyne onbedachte jeugd ?

York.

Kwel u zeiven niet, en ftryd niet met uwen adem; want de raadgeeving komt te vergeefs tot zyne ooren.

Gaunt.

Maar evenwel zegt men , dat de tongen van ftervende menfchen de aandacht verftetken, even als eene doordringende welluidendheid ; daar de woorden fchaars zyn daar worden zy zelden vergeefs verkwist; want zy ademen waarheid , die hunne woorden met moeite uitademen. Hy, die welhaast nooit meer fpreeken zal, word meer ge« hoord dan zy, aan wie de jeugd en de gemaklykheid leeren breedvoeriglyk te fpreeken ; men geeft meer acht op het einde van de menfchen, dan op hunnen voorigen levensloop ; de ondergang der zon , en het befluit van een muziekfluk , als het laatst genot zynde , zyn ook het aangenaamst op het laatst,en blyven in het geheugen geprent veel meer dan dingen, die lang voorleden zyn, Offchoon Richard by myn leven naar myn' raad niet heeft willen luisteren , zal myne droevige voor fpelling by myn fterven zyn oor opmerkzaam maaken.

York.

Sluiten