Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

igi RICHARD de II. KONING va» ENGELS

■welk hy met zulk eene minzaame droefheid af. fchudde, terwyl zyn gelaat ftreed met traanen en glimlachjes,merktekenen van zyne fmart, en van zyne lydzaamheid, dat, indien niet God, tot ge. wigtige einden, de harten der menfchen toen verftokt had, dezelven voorzeker zouden gefmolten zyn; en dat de wreedheid zelve medelyden met hem zou gehad hebben. Maar de Hemel had de hand in alle deeze gebeurtenisfen, in wiens almag. tigen wil wy derhalven ook bedaardelyk berustten. Wy zyn thans gezworen onderdaanen van Bolingbroke , aan wiens oppermagt ik voor eeuwig trouw geloofd heb.

VIERDE TOONEEL.

De Vooeioi», Aumeble.

jDe Hertogin. Daar komt myn zoon Aumerle.

York.

Die Aumerle geweest is, maar dat is verloren» doordien hy Richard's vriend was. Gy moet hem thans Rutland noemen, Mevrouw. Ik ben in het Parlement borg gebleven voor zyne trouw, en altoosduurende gehoorzaamheid aan den nieuw verkozen' Koning.

De Hertogin.

Welkom, myn Zoon! waar zyn thans de viooltjes , die den groenen fchoot van de aangekomene lente verfieren?

Aumerle. Ik weet het niet, Mevrouw, ook bekommer ik my weinig daarover; God weet, dat ik even gaarne geen zou willen zyn als een.

York.

Nu , gedraag u wei in deeze nieuwe lente van

ern-

Sluiten