Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

340 De TWEE EDELLIEDEN van VERONA ,

zoud gy my raaden in eenigen liefdehandel te vervallen ?

L u c e t t a.

Ja, MejufFer, mits dat gy in dat vallen niet onvoorzichtig ftruikelt.

Julia.

Van allen die fraaije jonge heeren, die dagelyks tegen my van liefde fpreeken, wie is in uw' zin de beminnenswaerdigfte van allen ?

L u c e t t a.

Noem my hunne naamen eens op, als het u ge. lieft; dan zal ik u myn gevoelen zeggen, naar myn gering verftand.

J u l r a.

Wat dunkt u van den fraaijen Ridder Eglamore ?

Lucetta. Ik houd hem voor een' onbefproken', fraai', en aartig' Ridder, maar, indien ik in uwe plaats was zou hy nooit de myne zyn.

Julia,

Wat denkt gy dan van den ryken Mercatio?

Lucetta. Veel goeds van zyne fchatten ; maar van hem zeiven maar zo, zo.

Julia.

Wat denkt gy dan van den bevalligen Proteus ?

Lucetta. Hemel.' hemel l (wat is het droevig) te zien hoe de dwaasheid ons beheerscht!

Julia.

Hoe nu, wat betekent die uitroep by (het hoo. ren van) zyn' naam ?

Lucetta.

Vergeef het my, MejufFer j het is eene voorby. gaande befchaamdheid, dat ik onwaerdig fchepfel van een' zo beminlyken edelman iets zou weeten te zeggen.

Sluiten