Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B L Y S P E L. 3<57

Valentino. Dit is de aangenaamfte tyding, die ik zou kannen wenfchen,

deHertog. Verwelkomt hem dan naar zyne verdienften; Sylvia, ik fpreek tegen u, en tegen u, Signor Thurio; want wat Signor Valentino betreft, dien behoef ik daartoe niet aan te fpooren. Ik zal hem op het oogenbiik by ulieden zenden.

(de Hertog vertrekt.) Valentino. Dat is die' Edelman, van wien ik u gezegd heb. Mevrouw, dat hy met my zou gekomen zyn, zö niet zyne Minnaares zyne oogen in het kristallyn van haare oogen had opgefloten gehouden. Sylvia.

Waarfchynlyk heeft zy die dan nu in vryheid gefield, om zich op eenig ander pand van getrouwheid te vestigen.

Valentino. Neen, ik houd my wel verzekerd, dat die nog haare gevangenen zyn.

Sylvia.

Neen, dan zou hy immers' blind zyn; en hoe zou hy blind zynde den weg naar u toe kunnen vinden.

Valentino. Hoe, Mevrouw, de liefde heeft wel twintig paar oogen.

Thurio.

Men zegt, dat zy, die beminnen, in het ge« heel geene oogen hebben.

Valentino.

Voor zulke minnaars, Thurio, gelyk gy zyt; op een onwaerdig voorwerp kan de liefde ligt pinkoogen.

Z E S;

Sluiten