Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38o Dn TWEE EDELLIEDEN van VERONA.

Waarde Lucetta, voorzie my van zodanige klee. deren als gevoeglyk pasfen aan een' jong' edelman van goeden huizo.

Lucetta. Dan zal uwe Hoogedelheid haar haair moeten laaten affnyden.

. Julia.

Neen, meisje, ik zal het opbinden met zyden koorden tot verfcheidenerleije liefdeflrikken. Eigenzinnig te weezen, zou zelfs aan een' jongman niet misdaan, die ouder is dan ik fchynen zal. Lucetta. Op welk eene wyze zal ik uwe broek maaken? Julia.

Dat is even goed als: zeg my eens, Mynheer, hoe. wyd wilt gy uw' hoepelrok hebben ? — Maak gy die op welke wyze gy zulks goedvind, Lucetta.

Lucetta. Gy dient 'er eene met eene voorbroek te heb* ben, Mevrouw.

Julia.

Kom, kom, Lucetta, dat zou immers niet wel daan.

Lucetta. Eene gladde broek, Mevrouw, is geene fpeld waerdig, al zou de voorbroek u ook maar enkel dienen em fpelden op te fteeken.

Julia

Lucetta , zo gy my bemint, bezorg my dan het geen u dunkt, dat my voegt, en hetgeen tegen, woordig in gebruik is; maar, zeg my eens, wat zal de waereld van my zeggen, dat ik eene zoon. bedachte reis onderneem? Ik vrees, dat my dit groote fchande zal aandoen.

Lucetta.

Indien gy dit vreest, blyf dan thuis, en gaa niet.

Sluiten