Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3 L Y S P E L.

in

Herbergier. Hoedat, myn fchoone jongeling?

Julia.

Omdat hy valsch zingt, vader.

Herbergier, Hoe, zingt hy dan buiten den toon der inftru» menten ?

'Julia.

Dat niet, en echter zingt hy zó valsch, dat by my zelfs de hartader raakt.

Hekeergier. Gy hebt een levendig gehoor.

Julia.

Ja, ik zou wel wenfchen doof te zyn! Het doet myn hart dof worden.

Herbergier.

Ik merk, dat gy geen behaagen fchept in de muziek.

Julia.

Neen, in het minst niet, wanneer die zo knarst.

Herbergier. Hoor, welke fraaije veranderingen zyn 'er in die muziek.

Julia.

Ja, en die verandering baart my verdriet.

Herbergier. Wilt gy dan, dat zy altoos hetzelfde zullen fpeelen ?

Julia.

Ik zou ten minde wel willen, dat één mensch deeds één duk fpeelde. Maar, Hospes, die Signor Proteus, van wien wy fpreeken , bezoekt die dikwyls deeze Dame?

Herbergier.

Ik zal u zeggen, hetgeen Launce, zyn knecht my gezegd heeftj en dat is, dat hy haar boven, maate bemint,

ff.

Sluiten