Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4i8 De TWEE EDELLIEDEN van VERONA,

een oogenbiik gepist, of het geheel vertrek ftonk 'er naar. Weg met dien hond! zeide de een. Wat is dat voor een rekel? zeide een ander. Slaahem uit de kamer 1 zeide een derde. Hang hem op! zeide de Hertog. Ik, die de lucht al geroken had, éér ik wist, dat het myn hond was,gaanaar den hondenflaager: Vriend, zeide ik, wilt gy myn' hond flaan? Ja, zeker, gaf hy ten antwoord. Gy zoud hem dan verongelyken, zeide ik, ik zelf heb het gedaen. Hy maakte geene verdere omftandig. heden maar joeg my uit de kamer. Welk een meefter zou dat doen voor zyn' knecht ? Dat meer is, ik wil 'er wel op zweeren, ik heb in het cachot gezeten voor hem om den pudding, dien hy geftolen had, anders zou men hem gerecht hebben; ik heb aan den kaak geftaan om de ganzen, die hy dood gebeten had, anders zou hy daarom hebben moeten lyden. En daaraan denkt hy nu niet meerl —— Ja, het heugt my nog van den trek, dien gy my gefpeeld hebt, toen wy affcheid namen van Signora Sylvia; beval ik u toen niet, dat gy naar my zoud kyken, en doen zoals ik deed ? Wanneer hebt gy my ooit myn been zien opligten, en myn water maaken tegen het kleed van eene juffer? Hebt gy my ooit zulk een ftuk zien doen?

ZEVENDE TOONEEL.

»e Voorioe, Proteus, Julia, (in mtni-

kleedercn.)

Proteus.

Uw naam, zegt gy, is Sebaftiano? Welnu, gy behaagt my wel, en ik zal u terftond tot eenigen dienst gebruiken.

Jo-

Sluiten