Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LIEDEN van VERONA, BLYSPEL. 447

„ Het fchynt dat gy haar niet beminde, noch 4, haar pand."

Ds. Johnson.

Pag. 434. Reg. 17, 16. (van onderen)

„ en ik mag de dood Jlerven, indien ik niet „ in myn gemoed baare eigene droef beid gevoelde,"

Een ieder, die de tedere droefgeeftigbeid van dit verhaal van Julia begrypt, kan gemakkelyk be. merken, dat zy in zulk eene wanhoopige omftan» digheid geen goval verdichten kon, dat zo veel overeenkomst had met haar eigen, zonder aandoeningen te gevoelen, die zich in haare gebaarden moeiten ontdekken, en in traanen uit haare oogen vloeijen. Dus voegt zy deeze twee regels ten laatfte daarby, om alle achterdocht weg te neemen, dat zy de waare Julu was; maar wil zy hier enkel zeggen, dat zy Julia's droefheid te vooren gevoelde, toen zy haar fchreijen zag? Neen, haar oogmerk was om haare tegenwoordige ontroerimg te verfchoonen, en dus most men waarfchynlyk leezen, ,, indien ik niet in myn gemoed haare ei„ gene droefheid gevoele." Dit komt beter over. een met de dubbelzinnigheid die de Dichter hier in het oog heeft, en met het antwoord van Stlvia.

Seward en Aanmerk.'

Pag. 415. Reg. 11, ia.

,. baar voorhoofd is laag, en bit myne is boog."

Een hoog voorhoofd wierd ten tyde van onzen Dichter gerekend voor eene uitmuntende fchoonheid. 7o word in de Hiftorie van Gur van Warwick gezegd van Felicia zyne minnaares, „ dat „ ?.y een voorhoofd had zo hoog als dat van „ Venus.

Dr. John'on.

Dit

Sluiten