Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14 CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

. CoMINIUS.

Dit is reeds te vooren uwe belofte geweeir.'

córiolanu.c

Zo is het, Mynheer, en ik blyf ftandvaftig (bv myn woord> Titus Lartius, gy zu|t my andermaal iullus m het aangezicht zien treffen. Hoe, zvt gy verftyfd? Treed terug ? ' '

Titus Lartius. Neen, Cajus Marcius. Veeleer zal ik my met een kruk onderfteunen, en met den andere ftiyden eer ik uit deezen oorlog wegblyf. ' M. Agrippa.

6 Edele man 1

Eerste Raadsheer. Verzei ons naar het Capitool ik weet, dat onze getrouwilen vrienden ons daar wachten. Titus La rtius. Gaa ons voor, en volg gy Cominins; het voegt ons u te volgen, gy verdient met recht den voorrang.

Cominius. o Edele Lartius.'

EersteRaadsheer, (tegen de Burgers) Voort, naar uwe huizen! Pakt u weg'

Coriolanus. Neen, laat hen medegaan, de Volkers hebben veel koorn, neemt deeze rotten mede, om hunne fchuuren te doorknaagen. Achtenswaardige muitelingen , uwe dapperheid doet zich fchoon voor • ik bid u volgt ons. — (De Edelen vertrekken, de Burgers fluipen (lil weg, en Sicinius Velutus blyft met Junius Brutus alleen op bet tooneel, Sicinius. Was wel ooit iemand zo trotfch als deeze Marcius?

Br utus. Hy heeft daarin geene wederga.

Si ci.

Sluiten