Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32 CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.'

welken kant hunne vertrouwdfte legerbenden eet plaatft zyn?

Cominius. Naar my dunkt, Marcius, beftaat hunne voori hoede uit Antiaten, waarop zy het meeil vertrouwen; zy worden aangevoerd door Aufidius, het groot middelpunt van uw verlangen.

Coriolanus. Ik bid en bezweer u, by allen de Veldflagen, die wy tezaamen hebben bygewoond, by het bloed, dat wy te zaamen hebben geilort, en by de gelofte van eeuwige vriendfchap, die wy aan eikanderen gedaan hebben, dat gy my ftelt tegen Aufidius en zyne Autiaten, en dat gy voor het tegenwoordige geen langer uitftel neemt, maar dat wy, de lucht met opgeheven zwaarden en fpiefen vervullende, op het oogenblik eene kans waagen. — Cominius. Schoon ik liever zou wenfchen u naar een warm bad gebragt te zien en balfem in uwe wonden gegoten, kan ik echter uw verzoek niet afilaan; ik laat u de keus van de manfchap, die gy oordeelt dat ubest van dienil kan zyn.

Coriolanus. Dat zyn die geenen, welken daartoe het gewilligft zyn. Indien hier eenigen gevonden worden, waaraan te twyfelen een misdaad zou weezen, die behaagen fcheppen in de kleur, waarmede zy my befchüderd zien; indien zy minder bevreeft zyn voor hun leven dan voor hunnen goeden naam, indien zy oordeelen, dat eene roemruchtige dood een fchandelyk leven overtreft, en dat hun Vaderland hen meer waard moet zyn dan hunne eigen perfopnen, laat dan een ieder van hen', of laaten allen, die dus denken, hun gevoelen te kennen geeven door dit teken, (Hy zwaait met den arm) en laaten zy Marcius volgen. (Zy juichen allen, zwaaijen met hunne zwaarden , tillen hem »p in

hunne

Sluiten