Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38 CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

myn edel paard, dat by het geheel leger beroemd is, met al deszelfs toebehooren, en laat hy van nu af aan, voor de dapperheid, die hy voor en in Corioli betoond heeft, met de toejuiching van alle onze benden, genoemd worden , Cajus Marcius Coriolanus. Behoud voor altoos dien edelen Toenaam. (Gefcbal van trompetten en trommelen,) Allen.

Cajus Marcius Coriolanus!

Coriolanus.

Ik zal myn aangezicht gaan afwafchen , en als het fchoon is zult gy kunnen zien , of ik bloos of niet. Hoe het zy, ik dank u. Ik ben van voorneemen uw paard te befchryden, en ten allen tyde my dien toenaam meer en meer waerdig te maaken, zoveel zulks in myn vermoogen zal zyn.

Cominius.

Genoeg. Laaten wy naar myne tent gaan ,• daar zullen wy , éér wy ons ter ruft begeeven, naar, Romen kennis geeven van onzen voorfpoed. Gy, * Titus Lartius, keer gy terug naar Corioli; en zend ons vandaar de voornaamfte burgers naar Romen, om een verdrag met hen te maaken, tot hun beft en het onze.

T. Lartius. Ik zal, Mynheer.

Coriflanus. De Goden beginnen met my te fpotten. Ik die tot hier toe zelfs de vorftelykfte gefchenken van de hand gewezen heb, ben thans verplicht om eene bede aan myn' Veldheer te doen.

Co mi n i bs.

Neem het, het is het uwe, wat is het?

Coriolanus. Ik heb in Corioli een' tydlang in het huis van een' geringen man gehuisveft, die my minzaam behandeld heeft. Hy riep my toe om hulp; ik zag hem gevangen neemen, maar op dat oogenblikver-

fchee»

Sluiten