Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5o CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

Coriolanus, (nederknielende.) o • Ik weet, dat gy allen de Goden voor my om voorfpoed gefmeekt hebt.

Volumnia. Niet zo; rys op, myn dappere krygsman. Myn edele Cajus, braave Marcius, en zo ais gy thans met een' dood • tiotfeerenden naam genoemd zyt, hoe is het, moet ik u Coriolanus noemen?— Zie uwe gemalin!

CO kiolan us.

Wees gegroet, o gy bevallige ftilzwygend heid! zoud gy gelachen hebben, wanneer ik in eene doodkift thuis gekomen was. daar gy fchreit nu gy myn' triumf aanfchouwt? Ach l myne waardfte! zulke oogen hebben de weduwen in Corioli , en de moe* ders, die haare zoonen misfen.

M. Agrippa.

Dat de Goden u verder bekroonen!

Coriolanus, (tegen Valeria.)

En leeft gy ook nog, edele Valeria? verfcboon my.

Volumnia.

Ik weet niet waarheen ik my zal wenden, o. Welkom thuis, en gy ook, edele Veldheer 1 En welkom gy allen.'

M. Ag rippa.

Honderdduizendmaal welkom! Ik zou kunnen fchreijen en lachen; ik ben luchtig en zwaarmoe dig. — Welkom! Een vloek treffe elk hart in zyn' wortel, dat niet verheugd is u te zien. — Gy zyt drie helden, waarop geheel Romen behoort te verlieven; maar by alles, dat heilig is, wy hebben hier eenige oude wilde takken, die zich niet op uw ganoegen willen laaten enten. Maar, desniettegen, ftaande, welkom , Oorlogshelden.' Wy noemen een' netel flechts een' netel; en de gebreken van ; gekken gekheid.

Altyd

Sluiten