Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

64 CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.'

te Hemmen gelden. Ik durf zeggen, dat, indien hy het volk wat meer genegen wilde worden, men nimmer een' waerdiger' man zou kunnen vinden (Ca. riolanus komt, in een lang kleed, met M, Agrippa op bet Tooneel) ziet daar komt hy, in het kleed der nedrigheid; geeft acht, hoe hy zich zalgedraa» gen. Wy behooren niet allen by eikanderen te bly« liaan , maar naar hem toe te gsan , daar hy ftaat, een, twee, of drie te gelyk Dus zal hy zyn verzoek aaneen' ieder' in het byzonder moeten doen, en wy zullen, man voor man, de eer hebben van hem, elk mondeling, onze Hemmen te geeven, volgt my derhal ven, en ik zal u aanwyzen, hoe gy hem moet naderen.

Allen.

Goed, goed!

M. Agrippa. (tegen Coriolanus.)

o, Myn vriend, gy hebt ongelyk; weet gy dan niet, dat de braaffte mannen dit gedaan hebben ? Coriolanus,

Wat moet ik ook zeggen ? — Myn vriend, ik verzoek u .... By Jupiter! Ik kan myne tong niet hieraan gewennen , Zie , myn vriend, zie myne ■wonden; ik heb die gekregen in dendienftvanmyn Vaderland, toen fomaiigen van uwe medemakkers van angft fchreeuwden, en voor het geluid van onze eigen trommels wegliepen.

M. A gr ipp a.

De Goden behoeden ons! Gy moet daarvan niet fpreeken ; gy moet hen verzoeken, dat zy uwer willen indachtig zyn.

Coriolanus.

Myner indachtig zyn ? Ik wenfehte liever, dat zy gehangen waren , en dat zy my vergaten, even als de deugden, die onze Priefters hen te vergeefs vóórprediken.

M. Agrippa. Gy zoud ben allen beleedigen. Nu ik laat u al;

leen.

Sluiten