Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL.

T. Aufidius.

Ja, Marcius, Cajus Marcius: of verbeeldgyu, dat ik u zat vereeren met dien roof. met den naam van Coriolanus, dien gy in Corioli geftolen hebt ? Gy Heeren en Opperhoofden van den Staat, hy heeft uwe zaak trouwlooslyk verraden , en voor eenige droppen ziltig nat uwe Stad Romen over» gegeven aan zyne huisvrouw en moeder; ik zeg met recht uwe Stad; en dus zyn eed en voorneem en verbroken als een' verrotten zyden' draad; zonder ooitkrygsraad te beleggen; maar op (hetzien vanj detraanen van baar, die hem opgevoed heeft, heeft hy uwe overwinning weggefchreid en weggezucht, zodanig dat zelfs jonge knaapen over hem bloosden; en mannen van moed met verwondering elkankeren ftonden aan te kyken.

Coriolanus.

o Mars, hoort gy dit!

T. Aufibius.

Noem dien God niet, builende jongen! ■ Coriolanus.

Ha! —

T. Aufidius.

Niets rreer.

Coriolanus. Bovenmaatige leugenaar, gy hebt myn hart te groot gemaakt voor datgeen, waarmede hetomvac is. Ik een jongen! o Gyverachtelykeflaaf.'.— Vergeeft het my, Heeren, dit is de eerfte«maal, dat ik my vernederen moet tot fchelden. Uwe uitfpraak ., Acbtbaare Heeren; moet voorzeker dien rekel in in het ongelyk ftellen; en zyn eigen geweeten, dat myne flagen, die in zyn lichaam zyn ingedrukt, natelt, welken hy tot het graf toe draagen moet, zal zich by uwe item voegen, om dit te beveiligen.

Eerste Raadsheer. Weeft beiden ftil, en hoort my fpreeken.

L 2 Co-

Sluiten