Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

K i«5X

ander, zo gij hem gelooft, de grootfte Theologant, en befluit, wanneer hij hier of daar eene zwakke

plaats

geopenbaard. Over dén zaakelijken zin deezer benaaming kan ik mij hier niet uitlaaten, om dat het ons te verre zoii vervoeren, alleen merk ik op, dat uit de bekende plaats Jo'dn. ï , de Godheid van den Heiland onbetwistbaar beweezcn wordt, men vergel. het bewijs voor de waarheid van Jesus Godheid uit het werk der Schepping, in de Acad. Verhand. T. 3. p. 28—46. Semler zelve gaf te Halle, Anno 1771, het ifte Deel uit van zijne Paraphrafis Euang. Joannis cum Notis & Ccntabrigienfis Codicis latino textu, en erkende hier onbewimpeld de eeuwige en waare Godheid van Christus , fchoon hij naderhand C. 5: 18 en 23 zeer paradox verklaart, men zie, over dit werk van Semler , Michaëlis , Ooft. e,i Uitlegk. Bibl. T. 3. p. 5 en T. 4. p. 44. Terwijl ik dit fchrijf ontdek ik de (zoo veel ik weet) nieuwe verklaaring Van J. A Cramf.R, Ueber den Anfang des Euang. Joannis in de Bijtragen zur befoerd. Theol. Kentnisfe. T. I. p. 213. Deeze meende 1.) Dat Aóyoj door Joannes y als een Jood, gebruikt. verklaard moest -worden uit het gebruik dat het Hebr. "Dl heeft, om eene belofte Gods te beteekenen, en dat men dus moet leezeri: In het begin bejlondt reeds de beloofde Mesfias , en de Mesfias was bij God , en de Mesfias was God, alle dingen zijn door den Mesfias gemaakt, enz. 2.) Zou men 'er dan niet moogen bijdoen, dat Joannes de afgetrokkene Qabjlractive') woorden gewoon is te beeZrgen om de oifzaak van het genoemde uittcdrukken? Zoo is B. V. in ditzelfde Cap. gsri., A\i&iicc, 0a$, leeven, waarheid, licht niets anders dan Je bron, de oirzaak van leeven, waarheid en licht: cn dan is Aóya? de bron van godlijke leering, de oirzaak van Gods woord, door wien alle de Propheetcn • •gefprooken hebben. Gaat die gedachte, ontleend van het Joodsch taai-gebruik , door, dan behoeft men naar geene andere oirfprong te zoeken , en de benaaming was voor zijne Tijdgenooten zeer verftaanbaar. Dat de naam Logos niet alleen tot het werk des Middelaars behoort (gelijk veele Godgeleerden denken, die anders over de eeuwige Geboorte des Zoons zeer rechtzinnig gevoelen cn fpreeken) maar ook, en wel eerst en vooral, tot de eeuwige Generatie, beweert Marcü, Exerc. Text. 36. § 2, 8, 1r. fee! 5, 6 en Judie. Eccl. laud. C. 3. j 6, 11, en lang voor hem Basilius M. Homil. in init. Euang. JoAN. Opp. T. i. p. 435. Terwijl dit werk wordt aföedrukt, verneem ik, daE de Heer ~M 5 C. S„

Sluiten