Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN DEN TAPIR. i&i

nagels, men kan dezelve vergelyken met de hoeven der dieren met gevorkte of in twee gefpleeten voeten. Zy omvangen het geheele einde' der vingeren : yder vinger is geteekend met een witte ftreep aan den oorfprong der nagelen. De ftaart is zo klein, dat hy naauwelyks den naam van ftaart verdient; het is flegts een ftompje, zo dik en lang als een pink, van onderen vleefch kleurig.

Marcgrave ze*gt, dat de jonge tapirs met verfcheiden kleuren geteekend zyn, maar dat zy volwaflen wordende die verliezen, en overal dezelfde donkere kleur zonder eenige vlekken van verfchillende kleuren aanneemen. Dit is het geval van den tapir, welken ik befchryf, en men zou 'er uit mogen befluiten, dat hy zo jong niet is als zyne geftalte fchynt aan te duiden.

Dit dier is zeer zagt en goedaartig; het nadert de geenen die in zyn verblyf treeden, en volgt hen gemeenzaam na, inzonderheid zo zy iets naar zyn fmaak by zig hebben, en laat zig van hen ftreelen. Ik heb in zyn gezigt of voorkoomen noch die droevige geaartheid, noch dat inwendig verdriet niet kunnen bemerken, die men "hem toefchryft, en welken men miffchien verward heeft met de zagtheid en bedaardheid van zyn voorkoomen.

Negen maanden daar na, dat dit dier hier in 't land gekoomen was, in juny 1772, heb ik het weêr gezien in de diergaarden van Z. D. H. ik was verwonderd over de verandering, die het binnen dien tyd ondergaan hadt, ik vond, dat zyn geheel lighaam met hair bedekt was; daar by zyn aankomft, naauwlyks eenigen daarop konden waargenoomen worden: zyn naakt en kaal vel, toen van eene blaauwagtige kleur, was veranderd in eene bruine, met fyn dons bezet, en daar tuffchen kwamen borflels uit, gelyk aan die van het varken, maar die niet zoo dik en zoo ftyf waren, en die naderhand nog toegenoomen hebben, gelyk men op het opgezette vel in het Kabinet van Z.D.H. zien kan. Dit is een nieuw bewys, wat eene werking het klimaat op de dieren heeft-

Deze mannetjes tapir in de diergaarde van den Heere Prins van Oranje,heeft daarin twee en een half jaar geleefd, en is in 't midden van de maand January 1774 geftorven; in dien tyd was 'er zeer veele koude.

Hoe veele moeite men zig gegeeven heeft, om het getal der tanden van dit dier op te neemen, was het toch niet mogelyk, zoo lang hetzelve leefde eene naauwkeurige kennis daarvan te bekoomen. Na den dood van hetzelve heeft men bevonden dat het twee-en-dertig tanden hadt, naamelyk; tien fnytanden, vier boven en zes beneden, vier hondstanden-y twee kleine tanden, in het bovenfte kaakbeen, tuffchen de honds-en de baktanden, op de plaats daar gewoonlyk de haaktanden ftaan, in de dieren die dezelve hebben; zeftien baktanden; op ydere zyde agt, vier boven en vier beneeden.

Zie hier de afmeetingen van de voornaamfte deelen van den mannetjes tapir..

voet- daim. lyn»

Lengte des lighaams van het einde van den fnuit tot aan den aars. 4. 2. o.

Hoogte van het voorflel. . . 2. 3. o.

Hoogte van het agterftel. . . 2. 6. o,

Lengte van den kop van het einde van den bek tot aan de ooren. 1. 2. o.-

Lengte der ooren. . . a 3. 6*

Afftand der oogen van de ooren. . o. 4. 6V

Rk 3

Sluiten