Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BERDE ZANG. 27 ö Gij verbasterde Aterlingen!

Wat heeft U toch het brein beroerd? Om met mij naar de kroon te dingen,

't Is trotfche waan, die U vervoert. Uw moeder heeft, door valfchen logen, U op een' fnoode wijs bedroogen,

En diets gemaakt, dat U 't gebied, Niet mij, door 't noodlot, was befchooren: Gij leende aan leugentaal uwe ooren,

En ftort U zeiven in 't verdriet.

Dus liet Saturnus Zoon zich hooren.

Dan deze goddelijke taal Klonk, als een donder, Hen in de ooren,

En rolde ook aldus door de zaal. Wat fcheldt Gij ons voor Aterlingen, En meent ons door uw item te dwingen?

Schreeuwt Tifon brullende als een beer, Valt aan, valt met mij aan, ö Helden! Betaalen wij dien Guit dat fchelden,

En dat Hij andre toonen leer'.

Met

Sluiten