Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54 DE STRIJD DER REUZEN. Aenëas Vloot heeft, op de baaren,

Van 't fchuimend middelandfche zout, Zoo veele rampen en gevaaren,

Niet ondervonden , noch aanfehoud. De Tritons hielden allerwegen De Schepen met hun vuisten tegen;

Der Roejers arm is niet heiland, Hoe ze ook door werken zich vermoejen. Om, tegen 't buld'ren, in te roejen,

Peloor verviel op 't ooster-ilrand.

Het fchip van Athos, door het klotfen,

Der baaren , die Nerine ftuwt, Stoot, met zijn (teven op de rotfen,

Zoo dat het niets dan Reuzen fpuwt, Porfirion, met zijne vrinden, Gevoelt al meê de kracht der winden,

Die hen het vorderen belet. Zij merken duidlijk, dat de (teven Zelfs door een' Triton opgeheven,

Wordt op een' blinde bank gezet.

Een

Sluiten