Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

80 DE STRIJD DER REUZEN In deze hachelijke vlaagen,

Daar reeds de Hofpoort zich ontfluit, Durft God Jupijn het eilings waagen,

En kijkt ten hoogen Hemel uit, Gewapend met drie blaauwe fchichten, Die 't Aardrijk als een gloed verlichten,

Hij fmeekt, Hij drijgt, Hij port zich aan. De hoogten worden, door het fneeven Der Titans, meer en meer verheeven,

Die Jovis blixems niet weêrftaan,

Dan, Tifon, toomeloos van zinnen,

Strijkt door de bres in 't fterrendak, Ten half gefcheurden Hemel binnen,

En geeft Vulkaan zoo feilen fmak, Die Hem den ingang wou beletten, Dat Hij geen' voet meer durft verzetten ,

Maar ftruikelt, daar Jupijn het ziet. Gaa, zegt hij, door de drift verwoeder: Gaa zwarte Smit! vertel mijn' moeder,

Wat thans in 't Hemel-hof gefchiedt.

Men

Sluiten