Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENDE ZANG. 83 Zij bragt aan haare ontruste zinnen,

Den rukeloozen Faëton, En zijnen wisfen val te binnen.

Want, had men niet dien Zoon der Zon3 Door eenen blixem-fchicht getroffen, In de Eridaan zien nederploffen,

Hij had voorzeker al het Land, Tot zelfs de dikst befneeuwde bergen, Die met hun kruin den Hemel tergen,

Tot ftof en Huivende asch verbrand.

Titeé, om voor God Febus ftraalen,

Haar' Zoons te redden, uit den flag, Roept Hen, tot tien verfcheiden maaien,

Zoo luid haar' fchorre ftem vermag. Maar moog'lijk had het woedend vechten 't Gehoor van deze legerknechten,

Door 't raazen ganfch en al verdoofd. Of ligt wierd, door het groot vertrouwen, Des voordeels, waar zij vast op bouwen,

Haar Moeders raad thans niet geïoofi

F 2 Zij

Sluiten