Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PARMA, AAN PHILIPS DEN TWEEDEN. 45

Ik Zal op dezen tyd, ó Phlips! my niet beklagen

Van uw te mywaarts hard en zonderling gedrag, Toen my den naam van hoofd des lands wierd opgedragen,

En aan uw' vrind Granvelle, in 't heimlyk, al 't gezag. Ik zeg uw vrind, zo ooit een vorst van uw geaartheid,

Een ondoorgrondlyk, trots, en hoogst flyfhoofdig man, Die all' wat heilig is opoffert aan vermaardheid,

Op een' oprechten vrind in waarheid roemen kan. Die vrind, verr' boven my vereerd met uw vertrouwen,

Heeft door zyn eind' doen zien wat wyze keur gy deed; Zd dat dees volken noch zyn beeld met fchrik aanfchouwen,

Hem houdend' voor de bron van 't uitgeflanen leed. Zyn hoogmoed, door geen' nood, of goeden raad, bedwongen,

Misbruikende uw gezag, ontflak der eedlen haat, Ontflak dien met veel recht, en heeft zelf hem gedrongen,

Te weigren om met hem te zitten in den raad. Noch meer: zyn hovaardy beflond zelfs hen te dringen

Te fmeeken, voor myn' ftoel, om zyn beteugeling; Zyn fmaadtaal vormde hen tot eedverbondelingen,

Zyn hardheid vormde een volk dat zich te buiten' ging. Gy weet hoe gy dien vrind uit Neêrland moest ontbieden.

Nadat hyzelf, uit nood,u drong om zyn ontflag, Gy weet hoe hy een land, fchier heimlyk, moest ontvlieden

Dat hy me in oproer liet, met een verzwakt gezag. Gy kent het Neêrlands volk te wél, om niet te weten

Dat zyn zagtaartigheid zich licht bellieren laat;

Maaï

Sluiten