Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

S* ITET GEWEETEN.'

Die op dit nedrig rond Gods heerlijkheid vergrooten,

t

En hem verftrekken tot natuur- en deugd genooten. Uit deze' rijke bron, en algemeenen plicht, Vloeit, dQor de leiding van het fchrander redenlicht, Op welk een wijz' de mensch , naar 't Godlijk welbehaagen , Aan hem den wijrookgeur van Eerdienst op zal draagen. Hem, die alleen den wensch der graage ziel voldoet, Alleen erkennen voor zijn' God, zijn Hoogfte Goed. Hem, die zich aan de ziele onzichtbaar wil vertoonen, Door een' verborgen dienst in 't heilig hart' te troonen { Zijn hooge Majefteit, die als een zonneftraal De Waereid overfchijnt, met Cherubijnen taal' Te aanbidden, roemen en op 't luisterrijkst te ontvouwen ? Des Scheppers grootheid in de fchepfelen te aanfchouwen: Die aan de Heerfchappij' dier menfchen zijn verflaafd; Die als hun Goden met het Godlijk beeld begaafd, Eu tot een meesterftuk der Schepping zijn verheven} Aan wien het Aardrijk tot een Erfleen is gegeeven: Op dat de fterveling zich plechtig henen wend' Tot God vol majefteit, dien hij als Leenheer kent, Door dankbaare offren van verplichte Heergcwaaden.

Uit deze liefde bron, ontftaan de liefde daaden,

En

Sluiten