Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEWEETENSDWANG; j££

Van 't wangeloof der valfche Geestlijkheid,

Die *t Recht der Kerk, neen! 't Recht der Hel bepleit.

Die groote Man hoort zich een Ketter noemen,

En om 't Geloof ter ftraf des vuurs verdoemen,,

De Houtmijt fchijnt voor Ketters niet te fel, —

Een halsftraf die gepast is voor de Hel.

Een gloeijend ftift wordt door zijn tortg gefteeken ;

De Leugen vreest hij mogt de Waarheid fpreekerK.

Een hooge muts waarop een Duivel ftaat,

Als 't zinnebeeld van dezen helfchen Raad,

Moet hem met fchand als Ongodist bedekken^

Of wel ten kroon ten martelkroon verftrekkeri,

Nu fpot en lacht het Molochs Priesterdom,

Het fpringt en danst de houtmijt, biddende, om,

Dat de Almagt nu de PÏonderkërk zal wreeken -

Hun offerhout door hemelvuur OKtfteeken;

Maar de Oppermagt befchaamt dat guichelfpel,

Dit offer e'ischt èen vuuiftraai uit de Hel;

De Godheid wil door reden overtuigen,

Zij wil het hart en niet de knieën buigen,

Zij neemt alleen vrijwillige offers aan.

35 Geweètensdwang, met veinzerij voldaan,

H „ WilS

Sluiten