Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3^ AAN DEN WELEDELEN HEE&E,

Terwyl het, laf, dat ftaal aan allen fiand geheugde, Soldaat en burger, volk en adel, wuft vermengde. Doch zo dit misbruik ooit beftond , ooit verre ging, Zo immer eenige eeuw den luister fchond der kling ; Onze eeuw, by 't groeijen van befchaafdheid, kunst en kennis, Maakt zeker bovenal zich fchuldig aan die fchennis. 't Is noodloos dat men 't oog op vreemde ryken vest'; Befchouwen wy alleen ons vry gemecnebcst, 't Ecnvouwdig erf der oude en dapprc Batavieren, Dat nedrighcid certyds plagt minnelyk te fieren: Hoe word dc degen, die in 't zedig Nederland Voorheen naauw" wierd ontmoet, tenzy in 'skrygsmans hand, Thans op ons erf, vooral wel binnen Amüels wallen, Ontecrd, nu groot en klein daarmede onwettig brallen! Thans draagt elk burger fchier dien zonder onderfchcid ; Ten ccnemaal vervreemd van dc oude ccnvouwdigheid, Die, als ze een' kloeken gast nadruklyk wilde roemen, Den held een' deeglyk' man, een degen plagt te noemen. Toen was het vreeslyk ftaal een ridderlyke dragt: Nu is dat zelfde ftaal het merk van weelde en pracht;

Er?

Sluiten