Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 83 )

„ Weérhoud die traen niet, mijn Vriendin! „ Zij heeft voor mij iets hemelsch in; „ Ze ontfproot door liefde en mededogen: „ Stel vrij in zulke tranen roem! „ o! 't Wordt mij dan vergund —'k zie't in uw vriendlljke oogen — „ Dat ik u Dochter noem'!

„ Zou ook alleen uw tedre ziel, „ Wie vaek de vriendenmin beviel, „ Voor Huibert ongevoelig wezen! „ Zoudt gij — neen, dit had nimmer fchijn — „ Daer gij de Zuster tot Vriendin hebt uitgelezen, „ Den Broeder gunstloos zijn!"

't Was alles ftilte voor een poos — Gij ftondt daer, als een lenteroos, Wier blaedjes, even nog gefloten , Zich opnen, voor een flrael der zon; Zoo zag ik, hoe een lonkje, uit Huiberts oog gefchotcn, -Uw hart ontfluiten kon.

F 2

Sluiten