Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MOZES ZEGELIED. 71

Gij bliest door eenen feilen wind;

De waters klommen toen gezwind Op uw bevel, tot fteile hoopen, Vergaatcn hunnen weg te loopen,

En de afgrond werd, ten zelfden ftond,

Voor uwe fchaar een vaste grond: Zoo wist uw hand de zee te dwingen. Tot heil voor uwe gunftelingen.

De vijand fprak, vol wrevelzucht: „ Ik zal gansch Israël, nu 't vlugt,

„ Met mijne benden achterhaalen;

„ Mijne overwinning kan niet faalen: „ Het moet voor Faroos heerfchappij „ Zich buigen in dees woestenij:

„ Zoo zullen wij hun magt wel fnuiken,

„ En hen ten onzen dienst gebruiken."

Dan Gij, o Heer! geboodt de zee :

Zij keerde weder op haar ftcé"; Zoo dat men de opgereezen baaren , Zag bruisfehend naar de diepte vaaren,

En nederftorten met geweld.

Uw fchrik heeft 'svijands hcir ontftcld; Het vlood toen, maar, als lood gezonken, Is 't in de bare zee verdronken.

E 4 Wi»

Sluiten