Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ï20 DRIE DAGEN

Be fpeeling van 't vernuft fpant hier de fcheering niet; Neen, deeze zij Gods woord, en de inilag 't gqestlijk lied; Die beiden zullen aan mijn werk de fchoonheid geven, Aan mijn gezangen zwier, en aan mijn Dichtkunst leven.

Ik zing den dag ter eer, die Vrijdag wordt genoemd, Kaar Venus, al van ouds bij 't rvoomfchc volk beroemd; Zijn denkbeeld, volgens 't welk men die Godin vereerde, Alzoo ze 't Godenrijk naar zin en wil formeerde, Hield haar, in dezen waan, als ftookfter van de nunj Nu riep het haar, en voorts Saturnus weder in , Waar paar wij Saturdag in onze taal nog fchrijven, Gelijk zij Zondag, door hun dwaalende bedrijven,

Benoemden naar de Zon. Maar dit verkies ik niet:

'k Vond andre naamen voor de fpeeling van mijn lied. Mijn eerfte dag zal dien van mijn' Verzoendag draagen; De tweede, om Jezus Graf, heet Donkcrfte aller dagen; De derde, om 't grootfte Heil, dat immer werd bereid, De Blijdfchap mijner ziel, de Vreugd der Christenheid. —j Ai! Hoogfte Goedheid, leer, leerme, in befpiegelingcns Met een geloovig hart van dccze dagen zingen: Verheerlijk uw Genade aan mij, onwaardig ftof, Dn fehenk mij 't voorrecht, om te weiden in uw' lof. —

'tGaat wel, mijn denkkragt rijst naar't vrolijk uchtend krieken s pes zegden dageraads, waar Edens geuren rieken:

Van

Sluiten