Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

138 DRIE DAGEN.

Nu vinde ik voor mijn ziel, in Jefus bloed genet,

Een vrijen toegang, daar Hij 't heilige open zet:

Zij ftaat eerbiedig ftil in heilbefpiegclingen ;

Zij is getroffen, door den wondren loop der dingen;

Daar Gods almogendheid de wetten der Natuur

Van fchrik bezwijmen deed, in 'slleilands ftervcns uur:

De zon verborg voor Hem, htt Levenslicht, haar' luister;

De heldre dag werd nacht en toonde 't aklig duister;

Het aardrijk beefde in 't rond; de hemel was beroerd;

De dooden ftonden op, en, aan den dood ontvoerd, Bij 's Heilands laatflen fnik, zijn levende verfchcenen

Toen Hij is opgedaan, en uit het graf verdwecnen;

Het kostlijk Jofefs graf, van ouds alzoo voorzegd,

Waar Hij en Nicodeem Hem hadden ingelegd.

o Liefdedaad! o Geur van fchoouc Specerijen,

Die met heur balzcmiucht nog ons gemoed verblijên;

Ja, Mannen! zeker heeft ö 't Heilgeloof verflerkt,

Toen gij die edle daad godvruchtig hebt bewerkt;

De liefde gloeide U aan ; zij lei Uw' Heiland neder,

En vroeg misfehien: ach! ach! wanneer zien wij hem weder?

Daar nu dit fombcr graf zijn lijf befloten houdt!

Nu zonk de dagtoorts in het middenlandfche zout, En haalde't hoofd van fchaamte, om 't nu gebeurde wonder Verbaasd, ter westerkimm, met meer verhaasting onder.—

o

Sluiten