Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

150 DRIE D 4 G E N

Geklonken was, gelijk vcragtclijkc flaaven, Voor eeuwig met uw lijf gelukkig hebt begraavcn. Och! geef mij die genaè, dat ik gelooven mag, Dat ook mijn fchuld aldaar met U begraavcn lag, Mijn oude mensch gedood, zijn kragtcn afgefneden Mijn zondenlust.gefnuikt, mijn driften afgefireeden; En, daar de zekerheid van uw begraaffenis Voor mij het klaarst bewijs van die betcckning is, Ai! laat mij 't zegel dier bctcckcning niet misfen, Maar wil mij, door 't geloof, daar van toch vergewisfeni ■'k Zie bij uw heilig graf, hoe Mozcs dienst en wet Op deezen dag, doorU een eindpaal wierd gezet: En hierin vindc ik ftof voor mijn befpiegclingen. Wat wondere ommezwaai, wat heil veranderingen ! Nu ruft de Priestcrfchaar met heel den Joodfchen raad a Daar 't voorhang opgefcheurd, het heiligfte openfiaat, Ï-Ioc klaar betoogde dit, dat al de hooge feesten, I let ingaan met het bloed der reeds geflagte beesten , En al de plcgtigheên van Levies offerltoet, Het affcheid kregen, dat voor altoos blijven moet; Daar nu geen offertuig noch dieren noch altaaren, Meer ter Verzoening voor de zonden noodig waren; Maar al derzelver fchuld was eeuwig uitgewischt, Door U, mijn Heiland, die, het tijdlijk leven mist.

Het

Sluiten