Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4<5 MENGELPOËZIE.

Die venftertjes von de ziel, die zien, het gefpuis 't Maar toelegd, verftaaje? op ramp van je huis Nho\ Willempje! je mot jou oofd 'er niet aan kreenen Het gelik gaat jé voor; je mot thog nimmer weenen: Hik ben verheegd dat men ook anje alreeds befpeerd Als dat je hien keening bint hin halles watje leerd, En dat je, beghotje! met glorie hal de trappen, Beklimt van de deegd en nitte wetenfchappen; Ja !- dat je 't fijne verflaat hom door geheime kinst Te khommen, begrijpje? hin hal de volkje 'er ginst. Nho, God bewaarjc! jho, hij wil je promtneyeeren Zoo goed asje gedacht, en, hook zen wetten Iccrcn. Van je fpicrlikke fpind weer hij halic phijn, Ik ou, verftaaje vorst? niet von de medecijn. 6 Wai mier! 'k heb die kost zoo dikwils moeten flibfaren. Maar khijki de doftor zal me zoo niet meer bedibbren. Nou, 'k .groetje lieve prins! hik wensch je halle vrcegd, Hen hook vernoegen hin je vorftelikke jcegd,

Scholem

Sluiten