Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130 MENGELPOÈ'ZT E.

Ontmenfchte dood, gij hebt dan Reigersman doen fneeven l Gij fnecd door d'ijzren tand den draad zijn's leevens af! Geen raadloos handgewring kon dan 't bevel weerftreeven, Dat hem ten prooi verwees, van 't eeuwig zwijgend graf ? Ontzachlijke uchtendftond rampzaaligfte aller dagen!

u Dag, die als een wond van zielefmarten gaapt.' Onöverbrengbre dag, voor ouderen en maagen,

Daar bij hun alle vreugt met den verlbrv'nen flaapt! Moest dan, zegd de oudermin, na zo veele ongelukken

Na zoo veel foltering van wreede ramp en pijn, Het algebied hem ons uit trillende armen rukken,

En 'c eind van al zijn fmart een aaklig fterfbed zijn ?

Alzeegnende oppermacht, bedwing, bedwing die fnikken, Waar door hun bloedend hart den gloed van weedom loost, En fchenk, in't barnen van die angftige oogenblikken,

Na zulk een' donderflag, haar uwen geest ten troost! Die troost, u ouders! moet uw opgepropte klachten Ontwikklen in het zwerk van een verdunde lucht! Die troost zal 't lillend bloed van d'open wond verzachten, Waar over uwe ziel thans zo aemechtig zucht.

'k Ge-

Sluiten