Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELPOËZIE. w

Triümf, de fchuifelende flangen

Wier gift 's lands raadzaal had ontëerd, Zijn reeds door d'achtbren floet vervangan

Wier glorie met de vrijheid keerd. Op 't voetfpoor van de Brielenaaren Die in het heetfte der gcvaaren

Zich hielden aan den Unieband, Doet ieder ftaatsman d' eed der belgen: „ Gods donder moet de kruin verdelgen

Die 't hooft ontëerd van 't vaderland"!

Gerechtigheid, reeds lang geweeken

Van uit dit tweedrachts gruwel oord; Verheft haar Hem in batoós ftreeken,

Waar zij het oud Wilhelmus boord; Haar oog verplet d'oranje-hooners; Haar eer eischt frraf dier dwang-bewooners,

En d'almacht wenkt van d'oppertroon: Haar macht heeft voortaan niets te vreezen; 'sLands vader moet verheerlijkt weezen,

Op dat haar hand de vloekers loon.

De

Sluiten