Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELPOËZIE. 2i? D E

JUICHEND, É

ACHTSTEN MAAIT 1788.

Deed ik, doorluchtigfte! u mijn vrije juichtaal hooren,

Bij 't grimmen des gewelds van euvle ondankbaarheid, En zou, 't ontkeetend hart, gekuischte liefde fmooren^

Daar ons verrukt gewest u wierook - geur bereid ? Neen: 't lagchend heil des lands, uit de asch van druk ontlooken

Uw zegepraal, mijn prins! de luider van uw déugt, Heeft, door te diep gevoel, een tintiend vuur ontftooken.

Dat zaligheden kweekt van nooit gekende vreugt.

? Doof

Sluiten